Bibliotheek

Hier vind je materiaal dat je bij je lessen kunt gebruiken of waarmee je zelf een les kunt samenstellen.

  • Het is erger een goede vriend te verliezen dan al je bezit.

    WA 42, 501, 31

  • Een goed voornemen deugt niet. Je moet eerst Gods Woord hebben en zeker weten dat het goed is wat je doet.

    WA 24, 354

  • Niet wie heeft, maar wie geeft, is rijk.

  • De erfzonde in een mens is als de baard van een man; al scheer je die elke dag af, hij komt toch weer terug.

    Tafelgesprekken Aurifaber, hoofdstuk 10, 127

  • In het Oude Testament zie je de windsels en de kribbe waar Christus in ligt.

    WA Bibel 8, 13, 6-7

  • Bij God is leven en liefhebben hetzelfde.

    WA 9, 51,13

  • Geloof is het begin van alle goede werken.

    WA 5, 119

  • Waar twintig duivels zijn, daar zijn ook honderd engelen.

    WA 40.II, 512, 26-27

  • Je moet de hemel niet anders zien dan dat daar je Vader is.

    WA 34.I, 299

  • De dood van Christus is een zee en een afgrond, waar God de Vader alle zonden ingegooid heeft.

    WA 17.I, 338, 10-11

  • Als Hij niet in het schip is, dan vaar je nooit goed.

    WA 24, 592

  • Als een man van zijn vrouw houdt, dan is ze voor hem de mooiste en de liefste.

    WA 16, 218, 28-29

  • Er is geen mens zo slecht of er zit wel iets goeds in.

    WA 30.II, 127, 21-22

  • De duivel is de aap van God: hij doet hem in alles na.

    WA 14, 434, 18

  • Veel rijkdom maakt niet zo gelukkig als een vrolijk hart.

    WA 6, 120, 10-22

  • Wen je er daarom aan: rol elke avond met het Onze Vader in bed, slaap ermee in en sta er ’s ochtends weer mee op uit je bed.

    WA 46, 79

  • Het voornaamste doel van de samenleving is dat we elkaar tot God brengen.

  • Goede vrome werken maken nooit een goede vrome man, maar, een goede vrome man doet goede vrome werken.

    WA 7, 32

  • Wie christen wil zijn, moet strijder willen zijn.

    WA 25, 328, 41

  • Niet de navolging maakt ons tot kinderen [Gods], maar het kindschap maakt ons tot navolgers.

    WA 2, 518

  • Je bezit moet in je handen zijn, niet in je hart.

    WA 19, 580, 26-29

  • God is een gloeiende bakoven vol liefde, die zich uitstrekt van de aarde tot aan de hemel.

    WA 10.III, 56

  • Wij zijn allemaal priesters, voor zover we christenen zijn.

    WA 6, 564, 11

  • Niemand heeft alle gaven, dus aan elke christen mankeert wel iets.

    WA 15, 606

  • Van veel boeken word je niet wijs, van veel lezen ook niet. Je wordt wijs in de Schrift en ook vroom als je goede boeken – hoe weinig het er ook zijn – vaak leest.

    WA 6, 461

  • Als je God wilt kennen moet je in de kribbe kijken. En dan naar het kruis.

  • Hoe minder woorden, des te beter gebed.

    WA 2, 81, 13

  • Zorgen kun je beter aan God overlaten.

    WA 24, 116, 24

  • Er is geen mens zo slecht of er zit wel iets goeds in.

    WA 30.II, 127, 21-22

  • Als je boven je (hoofd) hakt, dan vallen de splinters in je ogen.

    WA 19, 633

  • Bij God is leven en liefhebben hetzelfde.

    WA 9, 51, 13

  • Er is geen grotere Gever dan God.

    WA 21, 482

  • Zo is het met de Heilige Schrift: als je denkt dat je uitgeleerd bent, dan begin je pas.

    WA 49, 223

  • Gods Woord is als iets lekkers: als je ervan eet, wil je er steeds meer van.

    WA 25, 172

  • Voorzorg is altijd beter dan nazorg.

    WA B 11, 230

  • Van veel boeken word je niet wijs, van veel lezen ook niet. Je wordt wijs in de Schrift en ook vroom als je goede boeken – hoe weinig het er ook zijn – vaak leest.

    WA 6, 461

  • Je hebt net zoveel als je gelooft en hoopt.

    WA 3, 180, 26

  • De wet laat de ziekte zien, het evangelie geeft het geneesmiddel.

    WA 10.III, 338

  • Het is beter één koe in vrede te bezitten, dan twee in oorlog.

    WA 44, 784, 17-20

  • Als God niet je vriend is, dan helpt geen vriend. Als Hij echter onze vriend is, dan is het niet erg dat je geen vriend hebt.

    Bibel 9 I, 190

  • Aan de doop ontbreekt niets, aan het geloof ontbreekt altijd wat.

    WA 26, 165

  • Een christen is iemand van weinig woorden en veel daden.

    WA 10.I, 136

  • De mens kan niet altijd werken, hij moet ook zijn rust hebben. Daarom heeft God niet allen de dag voor het werken gegeven, maar de nacht voor het slapen en we hebben het middaguur voor het eten.

    WA 52, 416, 9-11

  • Een leugen is als een sneeuwbal: hoe meer je draait, hoe groter hij wordt.

  • De profeten zijn de ster en de maan, maar Christus is de zon.

    WA 33, 445, 27-41

  • Je moet kort bidden, maar wel vaak en sterk.

    WA 32, 418

  • Niets wordt langzamer vergeten dan een belediging, niets sneller dan een weldaad.