• Je hebt net zoveel als je gelooft en hoopt.

    WA 3, 180, 26

  • Een goed voornemen deugt niet. Je moet eerst Gods Woord hebben en zeker weten dat het goed is wat je doet.

    WA 24, 354

  • Het voornaamste doel van de samenleving is dat we elkaar tot God brengen.

  • Gods Woord is als iets lekkers: als je ervan eet, wil je er steeds meer van.

    WA 25, 172

  • Het is beter één koe in vrede te bezitten, dan twee in oorlog.

    WA 44, 784, 17-20

  • Veel rijkdom maakt niet zo gelukkig als een vrolijk hart.

    WA 6, 120, 10-22

  • Een leugen is als een sneeuwbal: hoe meer je draait, hoe groter hij wordt.

  • Zo is het met de Heilige Schrift: als je denkt dat je uitgeleerd bent, dan begin je pas.

    WA 49, 223

  • De duivel is de aap van God: hij doet hem in alles na.

    WA 14, 434, 18

  • De erfzonde in een mens is als de baard van een man; al scheer je die elke dag af, hij komt toch weer terug.

    Tafelgesprekken Aurifaber, hoofdstuk 10, 127

  • Aan de doop ontbreekt niets, aan het geloof ontbreekt altijd wat.

    WA 26, 165

  • Als een man van zijn vrouw houdt, dan is ze voor hem de mooiste en de liefste.

    WA 16, 218, 28-29

  • De profeten zijn de ster en de maan, maar Christus is de zon.

    WA 33, 445, 27-41

  • De wet laat de ziekte zien, het evangelie geeft het geneesmiddel.

    WA 10.III, 338

  • Het is erger een goede vriend te verliezen dan al je bezit.

    WA 42, 501, 31

  • Zorgen kun je beter aan God overlaten.

    WA 24, 116, 24

  • Bij God is leven en liefhebben hetzelfde.

    WA 9, 51,13

  • Als je God wilt kennen moet je in de kribbe kijken. En dan naar het kruis.

  • Een christen is iemand van weinig woorden en veel daden.

    WA 10.I, 136

  • De dood van Christus is een zee en een afgrond, waar God de Vader alle zonden ingegooid heeft.

    WA 17.I, 338, 10-11

  • Voorzorg is altijd beter dan nazorg.

    WA B 11, 230

  • Je moet kort bidden, maar wel vaak en sterk.

    WA 32, 418

  • Als God niet je vriend is, dan helpt geen vriend. Als Hij echter onze vriend is, dan is het niet erg dat je geen vriend hebt.

    Bibel 9 I, 190

  • Wij zijn allemaal priesters, voor zover we christenen zijn.

    WA 6, 564, 11

  • Als Hij niet in het schip is, dan vaar je nooit goed.

    WA 24, 592

  • Waar twintig duivels zijn, daar zijn ook honderd engelen.

    WA 40.II, 512, 26-27

  • Wen je er daarom aan: rol elke avond met het Onze Vader in bed, slaap ermee in en sta er ’s ochtends weer mee op uit je bed.

    WA 46, 79

  • Niet de navolging maakt ons tot kinderen [Gods], maar het kindschap maakt ons tot navolgers.

    WA 2, 518

  • Als je boven je (hoofd) hakt, dan vallen de splinters in je ogen.

    WA 19, 633

  • Bij God is leven en liefhebben hetzelfde.

    WA 9, 51, 13

  • Wie christen wil zijn, moet strijder willen zijn.

    WA 25, 328, 41

  • Van veel boeken word je niet wijs, van veel lezen ook niet. Je wordt wijs in de Schrift en ook vroom als je goede boeken – hoe weinig het er ook zijn – vaak leest.

    WA 6, 461

  • Er is geen mens zo slecht of er zit wel iets goeds in.

    WA 30.II, 127, 21-22

  • Je bezit moet in je handen zijn, niet in je hart.

    WA 19, 580, 26-29

  • Goede vrome werken maken nooit een goede vrome man, maar, een goede vrome man doet goede vrome werken.

    WA 7, 32

  • God is een gloeiende bakoven vol liefde, die zich uitstrekt van de aarde tot aan de hemel.

    WA 10.III, 56

  • Niet wie heeft, maar wie geeft, is rijk.

  • Geloof is het begin van alle goede werken.

    WA 5, 119

  • De mens kan niet altijd werken, hij moet ook zijn rust hebben. Daarom heeft God niet allen de dag voor het werken gegeven, maar de nacht voor het slapen en we hebben het middaguur voor het eten.

    WA 52, 416, 9-11

  • Er is geen grotere Gever dan God.

    WA 21, 482

  • Niets wordt langzamer vergeten dan een belediging, niets sneller dan een weldaad.

  • In het Oude Testament zie je de windsels en de kribbe waar Christus in ligt.

    WA Bibel 8, 13, 6-7

  • Hoe minder woorden, des te beter gebed.

    WA 2, 81, 13

  • Van veel boeken word je niet wijs, van veel lezen ook niet. Je wordt wijs in de Schrift en ook vroom als je goede boeken – hoe weinig het er ook zijn – vaak leest.

    WA 6, 461

  • Er is geen mens zo slecht of er zit wel iets goeds in.

    WA 30.II, 127, 21-22

  • Niemand heeft alle gaven, dus aan elke christen mankeert wel iets.

    WA 15, 606

  • Je moet de hemel niet anders zien dan dat daar je Vader is.

    WA 34.I, 299