• Niet de navolging maakt ons tot kinderen [Gods], maar het kindschap maakt ons tot navolgers.

    WA 2, 518

  • De wet laat de ziekte zien, het evangelie geeft het geneesmiddel.

    WA 10.III, 338

  • Er is geen mens zo slecht of er zit wel iets goeds in.

    WA 30.II, 127, 21-22

  • Niet wie heeft, maar wie geeft, is rijk.

  • De duivel is de aap van God: hij doet hem in alles na.

    WA 14, 434, 18

  • Wie christen wil zijn, moet strijder willen zijn.

    WA 25, 328, 41

  • Gods Woord is als iets lekkers: als je ervan eet, wil je er steeds meer van.

    WA 25, 172

  • Veel rijkdom maakt niet zo gelukkig als een vrolijk hart.

    WA 6, 120, 10-22

  • Als je God wilt kennen moet je in de kribbe kijken. En dan naar het kruis.

  • Van veel boeken word je niet wijs, van veel lezen ook niet. Je wordt wijs in de Schrift en ook vroom als je goede boeken – hoe weinig het er ook zijn – vaak leest.

    WA 6, 461

  • Een goed voornemen deugt niet. Je moet eerst Gods Woord hebben en zeker weten dat het goed is wat je doet.

    WA 24, 354

  • De dood van Christus is een zee en een afgrond, waar God de Vader alle zonden ingegooid heeft.

    WA 17.I, 338, 10-11

  • God is een gloeiende bakoven vol liefde, die zich uitstrekt van de aarde tot aan de hemel.

    WA 10.III, 56

  • De erfzonde in een mens is als de baard van een man; al scheer je die elke dag af, hij komt toch weer terug.

    Tafelgesprekken Aurifaber, hoofdstuk 10, 127

  • Het is erger een goede vriend te verliezen dan al je bezit.

    WA 42, 501, 31

  • Goede vrome werken maken nooit een goede vrome man, maar, een goede vrome man doet goede vrome werken.

    WA 7, 32

  • Waar twintig duivels zijn, daar zijn ook honderd engelen.

    WA 40.II, 512, 26-27

  • Als Hij niet in het schip is, dan vaar je nooit goed.

    WA 24, 592

  • Je hebt net zoveel als je gelooft en hoopt.

    WA 3, 180, 26

  • Als een man van zijn vrouw houdt, dan is ze voor hem de mooiste en de liefste.

    WA 16, 218, 28-29

  • Een christen is iemand van weinig woorden en veel daden.

    WA 10.I, 136

  • Je moet kort bidden, maar wel vaak en sterk.

    WA 32, 418

  • Geloof is het begin van alle goede werken.

    WA 5, 119

  • Bij God is leven en liefhebben hetzelfde.

    WA 9, 51,13

  • De profeten zijn de ster en de maan, maar Christus is de zon.

    WA 33, 445, 27-41

  • Aan de doop ontbreekt niets, aan het geloof ontbreekt altijd wat.

    WA 26, 165

  • Het is beter één koe in vrede te bezitten, dan twee in oorlog.

    WA 44, 784, 17-20

  • Het voornaamste doel van de samenleving is dat we elkaar tot God brengen.

  • Wij zijn allemaal priesters, voor zover we christenen zijn.

    WA 6, 564, 11

  • Voorzorg is altijd beter dan nazorg.

    WA B 11, 230

  • Zorgen kun je beter aan God overlaten.

    WA 24, 116, 24

  • Niets wordt langzamer vergeten dan een belediging, niets sneller dan een weldaad.

  • Je bezit moet in je handen zijn, niet in je hart.

    WA 19, 580, 26-29

  • Hoe minder woorden, des te beter gebed.

    WA 2, 81, 13

  • In het Oude Testament zie je de windsels en de kribbe waar Christus in ligt.

    WA Bibel 8, 13, 6-7

  • De mens kan niet altijd werken, hij moet ook zijn rust hebben. Daarom heeft God niet allen de dag voor het werken gegeven, maar de nacht voor het slapen en we hebben het middaguur voor het eten.

    WA 52, 416, 9-11

  • Van veel boeken word je niet wijs, van veel lezen ook niet. Je wordt wijs in de Schrift en ook vroom als je goede boeken – hoe weinig het er ook zijn – vaak leest.

    WA 6, 461

  • Wen je er daarom aan: rol elke avond met het Onze Vader in bed, slaap ermee in en sta er ’s ochtends weer mee op uit je bed.

    WA 46, 79

  • Zo is het met de Heilige Schrift: als je denkt dat je uitgeleerd bent, dan begin je pas.

    WA 49, 223

  • Er is geen mens zo slecht of er zit wel iets goeds in.

    WA 30.II, 127, 21-22

  • Er is geen grotere Gever dan God.

    WA 21, 482

  • Een leugen is als een sneeuwbal: hoe meer je draait, hoe groter hij wordt.

  • Je moet de hemel niet anders zien dan dat daar je Vader is.

    WA 34.I, 299

  • Niemand heeft alle gaven, dus aan elke christen mankeert wel iets.

    WA 15, 606

  • Als je boven je (hoofd) hakt, dan vallen de splinters in je ogen.

    WA 19, 633

  • Als God niet je vriend is, dan helpt geen vriend. Als Hij echter onze vriend is, dan is het niet erg dat je geen vriend hebt.

    Bibel 9 I, 190

  • Bij God is leven en liefhebben hetzelfde.

    WA 9, 51, 13