• Niemand heeft alle gaven, dus aan elke christen mankeert wel iets.

    WA 15, 606

  • Je moet de hemel niet anders zien dan dat daar je Vader is.

    WA 34.I, 299

  • De erfzonde in een mens is als de baard van een man; al scheer je die elke dag af, hij komt toch weer terug.

    Tafelgesprekken Aurifaber, hoofdstuk 10, 127

  • Het voornaamste doel van de samenleving is dat we elkaar tot God brengen.

  • Zorgen kun je beter aan God overlaten.

    WA 24, 116, 24

  • Je moet kort bidden, maar wel vaak en sterk.

    WA 32, 418

  • Het is beter één koe in vrede te bezitten, dan twee in oorlog.

    WA 44, 784, 17-20

  • Veel rijkdom maakt niet zo gelukkig als een vrolijk hart.

    WA 6, 120, 10-22

  • Aan de doop ontbreekt niets, aan het geloof ontbreekt altijd wat.

    WA 26, 165

  • Als je boven je (hoofd) hakt, dan vallen de splinters in je ogen.

    WA 19, 633

  • Er is geen grotere Gever dan God.

    WA 21, 482

  • Van veel boeken word je niet wijs, van veel lezen ook niet. Je wordt wijs in de Schrift en ook vroom als je goede boeken – hoe weinig het er ook zijn – vaak leest.

    WA 6, 461

  • De dood van Christus is een zee en een afgrond, waar God de Vader alle zonden ingegooid heeft.

    WA 17.I, 338, 10-11

  • Goede vrome werken maken nooit een goede vrome man, maar, een goede vrome man doet goede vrome werken.

    WA 7, 32

  • Een christen is iemand van weinig woorden en veel daden.

    WA 10.I, 136

  • De duivel is de aap van God: hij doet hem in alles na.

    WA 14, 434, 18

  • Een goed voornemen deugt niet. Je moet eerst Gods Woord hebben en zeker weten dat het goed is wat je doet.

    WA 24, 354

  • In het Oude Testament zie je de windsels en de kribbe waar Christus in ligt.

    WA Bibel 8, 13, 6-7

  • Niet wie heeft, maar wie geeft, is rijk.

  • Als God niet je vriend is, dan helpt geen vriend. Als Hij echter onze vriend is, dan is het niet erg dat je geen vriend hebt.

    Bibel 9 I, 190

  • Er is geen mens zo slecht of er zit wel iets goeds in.

    WA 30.II, 127, 21-22

  • Het is erger een goede vriend te verliezen dan al je bezit.

    WA 42, 501, 31

  • Je hebt net zoveel als je gelooft en hoopt.

    WA 3, 180, 26

  • Gods Woord is als iets lekkers: als je ervan eet, wil je er steeds meer van.

    WA 25, 172

  • Wie christen wil zijn, moet strijder willen zijn.

    WA 25, 328, 41

  • De wet laat de ziekte zien, het evangelie geeft het geneesmiddel.

    WA 10.III, 338

  • Als een man van zijn vrouw houdt, dan is ze voor hem de mooiste en de liefste.

    WA 16, 218, 28-29

  • Als je God wilt kennen moet je in de kribbe kijken. En dan naar het kruis.

  • God is een gloeiende bakoven vol liefde, die zich uitstrekt van de aarde tot aan de hemel.

    WA 10.III, 56

  • Wij zijn allemaal priesters, voor zover we christenen zijn.

    WA 6, 564, 11

  • Geloof is het begin van alle goede werken.

    WA 5, 119

  • Je bezit moet in je handen zijn, niet in je hart.

    WA 19, 580, 26-29

  • Wen je er daarom aan: rol elke avond met het Onze Vader in bed, slaap ermee in en sta er ’s ochtends weer mee op uit je bed.

    WA 46, 79

  • Niets wordt langzamer vergeten dan een belediging, niets sneller dan een weldaad.

  • Hoe minder woorden, des te beter gebed.

    WA 2, 81, 13

  • De profeten zijn de ster en de maan, maar Christus is de zon.

    WA 33, 445, 27-41

  • Een leugen is als een sneeuwbal: hoe meer je draait, hoe groter hij wordt.

  • Zo is het met de Heilige Schrift: als je denkt dat je uitgeleerd bent, dan begin je pas.

    WA 49, 223

  • Als Hij niet in het schip is, dan vaar je nooit goed.

    WA 24, 592

  • Waar twintig duivels zijn, daar zijn ook honderd engelen.

    WA 40.II, 512, 26-27

  • De mens kan niet altijd werken, hij moet ook zijn rust hebben. Daarom heeft God niet allen de dag voor het werken gegeven, maar de nacht voor het slapen en we hebben het middaguur voor het eten.

    WA 52, 416, 9-11

  • Er is geen mens zo slecht of er zit wel iets goeds in.

    WA 30.II, 127, 21-22

  • Bij God is leven en liefhebben hetzelfde.

    WA 9, 51, 13

  • Voorzorg is altijd beter dan nazorg.

    WA B 11, 230

  • Niet de navolging maakt ons tot kinderen [Gods], maar het kindschap maakt ons tot navolgers.

    WA 2, 518

  • Bij God is leven en liefhebben hetzelfde.

    WA 9, 51,13

  • Van veel boeken word je niet wijs, van veel lezen ook niet. Je wordt wijs in de Schrift en ook vroom als je goede boeken – hoe weinig het er ook zijn – vaak leest.

    WA 6, 461